Drankmuntjes en t-shirt vormden afzonderlijke prestaties

Wil er sprake zijn van samengestelde prestaties voor de btw, dan is er volgens Rechtbank Gelderland meer nodig dan dat de verschillende prestaties tezamen worden aangeboden. Willen (normaal belaste) deelprestaties delen in de (laag belaste) hoofdprestatie, dan is hier meer voor nodig.

Een stichting organiseert meerdere keren per jaar een obstacle run, een sportevenement waarbij hardlopen wordt gecombineerd met het overwinnen van diverse obstakels. Deelnemers aan de run krijgen bij inschrijving naast een startbewijs een T-shirt met opdruk. Verder kunnen ze onderweg gebruik maken van verversingspunten waar ze water kunnen krijgen en krijgen ze na afloop een foto en een drankje (bier of frisdrank) tegen inlevering van een muntje.
Na een boekenonderzoek heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd, waarbij gecorrigeerd is voor het toegepaste verlaagde btw-tarief op de wedstrijdshirts en op de muntjes waarvoor alcohol is geleverd bij de finish. De stichting is het hier niet mee een s en gaat in bezwaar en beroep. Volgens de stichting is er sprake van één prestatie, waarop het verlaagde btw-tarief van toepassing is. De inspecteur en ook de rechtbank zijn het hier niet mee eens. Zowel de levering van het wedstrijdshirt als het biertje is een doel op zich, omdat beide prestaties zelfstandig een nuttige functie hebben, los van het meedoen aan de obstacle run. Dat deze prestaties als prettig worden ervaren, maakt niet dat zij de hoofddienst aantrekkelijker maken. Daarvoor is meer nodig, anders zouden extra prestaties vrijwel altijd het lot van de hoofddienst delen en zo van tarief veranderen. Biertje en shirt zijn dus belast tegen het normale tarief en delen niet in het verlaagde tarief van de obstacle run.
De stichting deed nog een beroep op het gelijkheidsbeginsel, maar omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel krijgt ze ook hiermee bij de rechter geen gehoor.
Bron: Rb. Gelderland 28-02-2017

Tijdelijke huisvesting uitzendkrachten: BUA van toepassing

Op grond van het BUA is de aftrek van voorbelasting uitgesloten voor onder meer het verlenen van huisvesting aan het personeel. Een uitzendbureau dat om niet huisvesting ter beschikking stelt aan haar buitenlandse uitzendkrachten meent dat in haar geval het BUA niet van toepassing is. Rechtbank Gelderland gaat daar niet in mee.

De zaak draait om de uitleg van het begrip huisvesting. Volgens het uitzendbureau is er geen sprake van huisvestiging in de zin van het BUA: de betrokkenen blijven in het land van herkomst in hun woonplaats ingeschreven staan en de huisvesting (hotels, pensions, vakantiewoningen) is slechts tijdelijk. Ook is het belang van de uitzendkrachten bij de huisvesting volstrek ondergeschikt is aan de belangen van het uitzendbureau. Daarnaast beroept het uitzendbureau zich op het Fillibeck-arrest van het EU Hof van Justitie: volgens het uitzendbureau is er sprake van bijzondere omstandigheid (specialistisch werk waar moeilijk in Nederland arbeidskrachten voor zijn te vinden, grote reisafstand en korte duur werkzaamheden) zoals bedoeld in dit arrest die maken dat in het belang van de onderneming de huisvesting werd verzorgd.
Rechtbank Gelderland volgt de redenering van het uitzendbureau niet. Volgens de rechtbank wordt in het BUA geen onderscheid gemaakt in soort huisvesting en of de huisvesting al dan niet tijdelijk ter beschikking staat aan het personeel. Er is volgens de rechtbank ook geen aanleiding om de Fillibeck-criteria toe te passen. De categorie ‘huisvesting’ is namelijk heel specifiek en als zodanig uitgesloten van aftrek, zonder dat hiervoor een nadere uitleg of invulling nodig is die ruimte geeft om de jurisprudentie van het Europese Hof toe te passen. Ook moet worden bedacht dat de Fillibeck-criteria door het Europese Hof zijn gegeven in verband met uitleg van de bepaling over de fictieve dienst en dus niet in verband met de aftrekuitsluitingen zoals vervat in het BUA. Het BUA is dus van toepassing en op grond van het BUA is de aftrek uitgesloten.
Bron: Rb. Gelderland 28-02-2017

Onderzoek naar belastingplanning en klantanonimiteit

DNB gaat onderzoek doen naar de betrokkenheid van banken bij het faciliteren van financiële constructies die de zichtbaarheid van klanten belemmeren voor overheidsinstanties.

In de Toezicht Vooruitblik 2017 heeft DNB aangekondigd het onderzoek naar de betrokkenheid van financiële instellingen bij het faciliteren van agressieve belastingplanning en klantanonimiteit in 2017 voort te zetten. Ook gaat DNB in 2017 aan de hand van een vragenlijst bij banken gegevens opvragen om integriteitsrisico’s in kaart te brengen.
In 2017 gaat DNB bij een aantal banken vervolgonderzoek doen naar de betrokkenheid bij agressieve belastingplanning en de naleving van wettelijke vereisten omtrent de integere bedrijfsvoering, cliëntenonderzoek en transactiemonitoring. DNB beoogt met dit onderzoek te bereiken dat de onderzochte banken geen activiteiten meer initiëren en de bestaande activiteiten op het gebied van agressieve belastingplanning afbouwen. Daar waar DNB constateert dat banken dergelijke activiteiten wel uitvoeren, wil DNB bereiken dat banken een juiste risicoafweging maken, hun beheersing op orde brengen en hun activiteiten en cliëntenportefeuille waar nodig herzien. DNB beoogt hiermee dat de banken de fiscale risico’s in beeld hebben en dit inzichtelijk maken in hun beleid, in de systematische risicoanalyse (SIRA) en in de cliëntendossiers. Banken moeten verder kritisch toetsen of deze risico’s passen binnen de eigen risk appetite.
DNB verwacht eind 2017 de sector te informeren over de resultaten van dit onderzoek.
Bron: DNB 23-2-2017

Pensioen in eigen beheer wordt uitgefaseerd

Het wetsvoorstel Wet Uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen en de Novelle Wet Uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen zijn op 7 maart met algemene stemmen aangenomen door de Eerste Kamer.

Vanwege het aanhouden van het wetsvoorstel en de indiening van de novelle is de ingangsdatum van de uitfasering verschoven van 1 januari 2017 naar 1 april 2017. De door de staatssecretaris eerder toegezegde coulanceperiode van drie maanden blijft bestaan, zodat de dga na invoering per 1 april tot 1 juli 2017 de tijd heeft om de pensioentoezegging ‘premievrij’ te maken (ofwel de opbouw te stoppen).
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris een tweetal conceptbesluiten met de kamerstukken meegestuurd. In het eerste conceptbesluit voor de loonbelasting is de drie maanden coulancetermijn geregeld. In een conceptbesluit voor de vennootschapsbelasting is aangegeven onder welke voorwaarden aftrek van de actiefpost voor toekomstige indexatielasten mogelijk is.
Bron: EK 7-03-2017

Onderhandelingsresultaat cao Beroepsgoederenvervoer

Na vorige week een snel onderhandelingsresultaat bij de cao Bouw & Infra, waarmee door de achterbannen van de verschillende partijen inmiddels is ingestemd, zijn deze week in een andere grote sector – het Beroepsgoederenvervoer – de onderhandelingen geëindigd in een eindbod dat de bonden aan hun leden zullen voorleggen.

Het betreft een cao met een looptijd van 3 jaar (1 januari 2017 tot en met 31 december 2019) waarbinnen de lonen op 1 juli 2017, 1 januari 2018 en 2019 met 2% zullen worden verhoogd. Tevens zal er gedurende de looptijd in drie stappen een extra trede op alle loonschalen worden gecreëerd. De vakbonden hebben aangegeven het eindbod aan hun achterban te zullen voorleggen. Vakbond FNV – die bij de vorige cao nog fors de actietrom roerde – meldt op haar website trots dat de lonen van de vrachtwagenchauffeurs de komende drie jaar 10% vooruit gaan. Daarnaast is de bond te spreken over de afspraken die in het eindbod staan over meer zeggenschap over werktijden.
Met dit eindbod komt er een einde aan de KNV-cao. Beide transport-cao’s worden samengevoegd.
Bron: TLN 8-03-2017; FNV 8-03-2017

Loonaangifteketen in de prijzen

CBS, UWV en de Belastingdienst hebben op dinsdag 28 februari 2017 een internationale prijs gewonnen voor hun samenwerking binnen de loonaangifteketen. De prijs, die jaarlijks wordt toegekend door de Association of Strategic Alliance Professionals (ASAP), werd in San Diego (VS) in ontvangst genomen door ketenmanager Diantha Croese.

De jury prijst het feit dat meerdere grote overheidsorganisaties hun krachten bundelen en samenwerken in de vorm van een keten, die zich bovendien met externe partners heeft doorontwikkeld tot een systeem waarin op basis van wederzijdse afhankelijkheid intensief wordt samengewerkt. Samen met de onafhankelijke positie van de ketenmanager waren dit voor de jury de doorslaggevende factoren om de loonaangifteketen te onderscheiden met de ASAP-award.
De loonaangifteketen is al tien jaar de grootste informatieketen van de Nederlandse overheid, met als eigenaren het CBS, de Belastingdienst en UWV. In de loonaangifteketen gaat jaarlijks € 156 miljard om, zo’n 60% van de inkomsten op de totale rijksbegroting. Ieder jaar worden er 20 miljard gegevens van ongeveer 12 miljoen burgers op het gebied van werk en inkomen in één keer uitgevraagd bij werkgevers en aan verschillende afnemers beschikbaar gesteld. Daardoor besparen bedrijven op hun administratieve lasten en de overheid op de uitvoeringskosten. Burgers kunnen gemakkelijker aan hun verplichtingen voldoen en rechten claimen bij de overheid door bijvoorbeeld de voor ingevulde belastingaangifte, het voor ingevulde overzicht van het arbeidsverleden (voor de WW) en het digitale verzekeringsbericht.
CBS, UWV en Belastingdienst wonnen de prijs in de categorie ‘Individual Alliance Excellence’. Het is de eerste keer dat een publiek-publieke samenwerking de ASAP-award wint.
ASAP is een wereldwijde organisatie gewijd aan het monitoren, waarderen en bevorderen van alliantiemanagement en organisatie-overstijgende samenwerking.
Bron: UWV 1-03-2017

Meer duidelijkheid over ICT-richtlijn

Sinds eind vorig jaar is de ICT (intra company transfer)-richtlijn, bedoeld voor het overplaatsen van personeel binnen het eigen concern, van kracht. Enkele grote werkgevers, VNO-NCW en AWVN hebben er op aangedrongen dat werknemers die eerst drie jaar op basis van de ICT-richtlijn vervolgens gebruik kunnen maken van de kennismigrantenregeling. Het zag er namelijk naar uit dat deze werknemers na een periode van drie jaar eerst voor zes maanden Nederland zouden moeten verlaten.

Uit informatie op de site van de IND blijkt dat een vergunning als kennismigrant, aansluitend op een intra-company vergunning van drie jaar op basis van de ICT-richtlijn, toch mogelijk is. De ICT-werknemers hoeven dus niet eerst zes maanden Nederland te verlaten. Op de site van de IND is op de pagina over de ICT-richtlijn een pdf met veel gestelde vragen opgenomen. In de antwoorden is aangegeven dat het uitgangspunt van de ICT-Richtlijn is, dat na het verblijf in Nederland de werknemer terugkeert naar de buitenlandse werkgever of een ander buiten de EU gevestigd onderdeel van de onderneming. Wel kan de werknemer na die termijn in aanmerking komen voor een nationale verblijfsvergunning. Voor de werknemer kan dan ook een vergunning op basis van de kennismigrantenregeling worden aangevraagd.
Bron: AWVN 2-03-2017

Start onderhandelingen Metaal & Techniek

Op 8 maart starten de onderhandelingen voor de cao Metaal & Techniek (cao’s Installatiebedrijf, Carosseriebedrijf, Isolatiebedrijf, Metaalbewerkingsbedrijf en Goud- en Zilvernijverheid). De werkgevers in de metaal willen in de nieuwe cao Metaal & Techniek afspraken maken over oudere werknemers.

De werknemerspopulatie in de sector vergrijst. Ruim 40% van de werknemers is ouder dan 45 jaar. Met het opschuiven van de AOW-leeftijd zullen de ouder wordende werknemers langer moeten werken. Door dit vergrijzende werknemersbestand zullen de loonkosten autonoom stijgen. Volgens de werkgevers heeft dat weer tot gevolg dat moet worden nagedacht over hoe oudere werknemers productief kunnen blijven. Volgens de werkgevers vormt de kern van de problematiek de huidige relatie tussen de loonkosten en de productiviteit naar leeftijd, samen met een afnemende baan-baan-mobiliteit op hogere leeftijd. Werkgevers beoordelen de oudere werknemer als minder productief, zeker als dat afgezet wordt tegen de loonkosten. Dit tast de arbeidsmarktpositie van de oudere werknemer aan. Wat de werkgevers betreft moeten de verschillen in kosten tussen de generaties beperkt worden, respectievelijk dat cao-regelingen minder leeftijdsafhankelijk worden.
FNV Metaal gaat de onderhandelingen in met een looneis van 2,5%, uitgaande van een looptijd van één jaar. CNV Vakmensen stelt een loonsverhoging van 3,75% voor bij een cao met een duur van anderhalf jaar. Daarnaast wil deze bond inzetten op scholing en ontwikkeling en de branche klaarmaken voor langer doorwerken.
De huidige cao’s in de Metaal & Techniek lopen af op 30 april.
Bron: MetaalNieuws, 3-03-2017

Symbolische huur: leegwaarderatio niet van toepassing

Indien een pand verhuurd is, dan kan voor de box 3-heffing een lagere waarde in aanmerking worden genomen. Voor de toepassing van die leegwaarderatio is volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant wel een meer dan symbolische huur noodzakelijk.

Een particulier, woonachtig in Frankrijk, is in het bezit een pand dat hij tot en met 2008 verhuurde. In 2012 is de WOZ-waarde van het pand ruim € 900.000. In 2012 woont hij in Frankrijk en verhuurt hij het pand voor één euro aan zijn dochter. De man doet aangifte IB waarbij hij voor de waarde van het pand rekening houdt met de leegwaarderatio (in 2012 50% bij een huur van 0% tot 1% van de WOZ-waarde). De inspecteur ging hier niet mee akkoord, omdat er van een reële huur geen sprake is.
De rechtbank overweegt dat voor toepassing van de leegwaarderatio sprake moet zijn van een verhuurde woning en op die verhuur is afdeling 5 van titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Artikel 7:201 lid 1 BW bepaalt dat huur is een overeenkomst waarbij de verhuurder aan een huurder een zaak in gebruik verstrekt waarbij de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van huur in die zin, omdat een tegenprestatie ontbreekt. Van het bedrag van € 1 per jaar kan immers niet worden gezegd dat dat een meer dan symbolische tegenprestatie is. Bovendien nam de ‘verhuurder’ ook nog alle kosten van gas, elektra en water voor zijn rekening. Kosten die normaliter ten laste van de huurder zouden komen. Volgens de rechtbank is er dus geen sprake van verhuur maar van bruikleen. Aan de voorwaarden voor toepassing van de leegwaarderatio is dan niet voldaan.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 15-12-2016 (publ. 31-01-2017)

Pluimveebedrijf met paardentak niet één objectieve onderneming

Om een herinvesteringsreserve te kunnen gebruiken voor een andere tak van een bedrijf moet er sprake zijn van één objectieve onderneming.

Een arbeidsongeschikt verklaarde ondernemer heeft een pluimveebedrijf, een paardentak en de akkerbouw. In 2012 doet hij zijn pluimveebedrijf en pluimveerechten van de hand. Van de boekwinst die hierbij behaald heeft vormt hij een herinvesteringsreserve (HIR) van ruim € 600.000, waarvan hij in datzelfde jaar nog ruim € 50.000 afboekt in verband met de aanschaf van een bulldozer. De inspecteur stelt de aanslag IB 2012 echter vast zonder rekening te houden met de vorming van de HIR. Het geschil spits het geschil zich toe op de vraag of de ondernemer voor de boekwinst een HIR kon vormen die hij kon gebruiken voor de paardentak van zijn onderneming. De paardentak bestaat uit de verhuur van twee hallen, waarvan er één deels werd gebruikt door het pluimveebedrijf voor het drogen van mest en opslaan van machines, aan (beroeps)ruiters, verenigingen en bedrijven. Na beëindiging van het pluimveebedrijf werd beide hallen geheel verhuurd aan paardenliefhebbers. De omzet van de verhuur van de rijhallen is afzonderlijk in de jaarrekening vermeld.
Volgens de rechtbank is het mogelijk een HIR te vormen maar kan die alleen worden gebruikt binnen dezelfde (objectieve) onderneming en niet over de investeringsgrens heen. De paardentak en het pluimveebedrijf kunnen volgens de rechtbank niet als één onderneming worden aangemerkt. Beide ondernemingsactiviteiten verschillen zodanig van elkaar qua producten en diensten, markten, dat geen sprake is van één onderneming. Voor 2012 vermeldde de ondernemer de paardentak niet in zijn aangiften en ook uit de jaarrekening blijkt geen organisatorische en administratieve verbondenheid. Niet aannemelijk is dat de paardentak in enig opzicht dienstbaar is aan het pluimveebedrijf of andersom. Dat bepaalde machines en een hal voor zowel de paardentak als het pluimveebedrijf werden gebruikt is onvoldoende om te concluderen dat sprake was van één onderneming. Daar vaststaat dat geen sprake is van één objectieve onderneming is ten onrechte een HIR gevormd voor de behaalde boekwinst.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 11-01-2017